1997

DE KANO VAN PESSE -
DE BIJL ERIN

door J.R. Beuker & M.J.L.Th. Niekus

s u p p l e m e n t

Deze publicatie is eerder verschenen in de Nieuwe Drentse Volksalmanak (1997) en is de eerste in een serie discussie-artikelen over de Boot van Pesse

volgende

printversie
De kano van Pesse vormt een van de hoofdattracties van de archeologische collectie van het Drents Museum. Na de ontdekking in augustus 1955, bij de aanleg van de A28, werd deze spectaculaire vondst door W. van Zeist onderzocht en gepubliceerd in de Nieuwe Drentse Volksalmanak van 1957. Met deze uitvoerige publicatie leek alles wel zo'n beetje gezegd over de 'oudste boot ter wereld', met zijn datering van 8760 ± 145 BP (1). In deze korte bijdrage willen wij één van Van Zeists conclusies, namelijk de wijze waarop de kano gemaakt is, nog eens tegen het licht houden. Tot voor kort werden de werktuigen die bij uitstek geschikt zijn voor de klus, de vuurstenen kern- en afslagbijlen, gedateerd in de periode na ca. 7500 BP, ruim 1000 C14-jaren later dan de kano. Door recent onderzoek weten we nu dat deze bijlen wel degelijk gelijktijdig zijn met, en misschien zelfs ouder dan, de kano van Pesse (Niekus e.a. 1997).

Afb. 1
De boot van Pesse (Drenthe). C14-dateringen geven aan dat dit object uit het mesolithicum dateert (ca. 8600 voor Chr.). De lengte bedraagt iets minder dan 3 meter.
foto: Drents Museum
grotere afbeelding

Omhakken en branden?
Op grond van een laagje verkoold hout dat op verschillende plaatsen aan de binnen- en de buitenkant van de kano aanwezig is, concludeerde Van Zeist (1957, 8): 'De kano van Pesse is gemaakt uit een stuk stam van de grove den (Pinus silvestris). Met behulp van vuur is dit stuk stam - met uitzondering van het voor- en achtereinde - uitgehold'. De aanwezigheid van houtskool kan niet worden ontkend maar of dit te maken heeft met de vervaardiging van de kano is maar de vraag. We kunnen hier heel goed met een secundair verschijnsel te maken hebben. Geen van de vele tientallen mesolithische kano's uit Denemarken vertoont onmiskenbare sporen van uitholling middels het gebruik van vuur (natuurlijk bestaat altijd de mogelijkheid dat deze sporen bij de afwerking van de kano's helemaal zijn verdwenen)(voor de Deense kano's zie Andersen 1986 en Christensen 1990). Ook uit de hoek van de experimentele archeologie komt weinig steun voor de door Van Zeist gesuggereerde wijze van vervaardigen. In Sleeswijk-Holstein zijn de afgelopen jaren al meer dan 20 boomstamkano's op experimentele wijze vervaardigd. Het gebruik van vuur wordt door de bouwers gezien als een 'typisch etnologisch' idee. Wanneer men zonder goede werktuigen, zoals vuurstenen bijlen, hard hout moet bewerken dan is vuur een goed 'instrument' om een stam uit te hollen. Grove den echter kan zonder problemen met vuurstenen gereedschap of werktuigen van been en gewei worden bewerkt (2).

Al met al lijkt het ons inziens niet erg aannemelijk dat de kano van Pesse met vuur is uitgehold. Van Zeist (1957, 8) zegt echter expliciet dat nergens sporen van bewerking met stenen, benen, of hertshoornen werktuigen geconstateerd konden worden en ook door ons zijn geen kapsporen aan binnen- of buitenkant van de kano waargenomen. Toch is er een aanwijzing dat er een bijl in het spel geweest moet zijn. De voorzijde van de kano versmalt vanaf beide zijkanten en vanaf de onderzijde naar de punt om te eindigen in een op doorsnede min of meer driehoekige uitstulping. Aan de rechterzijde verloopt de versmalling als een recht vlak en is langer dan aan de linkerzijde. Alles wijst er op dat de voorzijde van de boot gevormd wordt door de vlakken die zijn ontstaan bij het vellen van de den met behulp van een bijl. Met dit gereedschap kan een boom namelijk het beste worden geveld door deze rondom steeds dieper V-vormig in te kappen totdat het resterende hout zo dun is geworden dat de boom omvalt. Het punt waarop de boom afbreekt, is goed te zien en vormt een kleine uitstulping (fig. 1; zie afb. 1 hierboven; red.). Omdat de achterzijde van de kano is gekapt nadat de boom al was geveld, kon hier het doorkappen met name vanaf de bovenzijde plaatsvinden. Daardoor verloopt de achterzijde schuin naar beneden.

De oudste kern- en afslagbijlen
Tot voor kort werden mesolithische vuurstenen bijlen (met of zonder tranchetsnede) geplaatst in een latere fase van het mesolithicum. Newell (1970) meent dat ze in onze streken niet eerder optreden dan vanaf ca. 7500 BP, het begin van het atlanticum. In culturele termen betekent dit dat ze horen tot een late fase van het 'De Leien-Wartena Complex'. In zijn artikel over mesolithische vuurstenen bijlen in Drenthe wil Harsema (1978) ze vooral op typologische gronden al vanaf het boreaal laten optreden. Met betrekking tot de kano van Pesse maakt Harsema nog de volgende opmerking (1978, 185): 'De boomstamkano van Pesse, met een C 14-datering van ca. 6800 v.Chr., past bij uitstek in een Maglemose-achtig kultuurverband en een optreden van mesolithische bijltjes vanaf het begin van het Boreaal is dan ook bepaald niet uit te sluiten'. Dateringen die deze hypothese konden bevestigen, ontbraken tot nog toe. Recentelijk zijn echter enkele nieuwe C14-dateringen beschikbaar gekomen waardoor die bevestiging er nu wel is. Op een vindplaats bij Lageland (gem. Slochteren, Gr.) werden twee kern- en een afslagbijltje (fig. 2) gevonden. Een van de bijltjes lag naast een concentratie verkoolde hazelnootdoppen. Deze doppen werden gedateerd op 8750 50 BP (GrN-22709). Van een vindplaats bij Nieuwe Pekela (NP-9) zijn twee dateringen bekend, respectievelijk 8770 50 BP (GrN-22707) en 8800 50 BP (GrN-22708). Tot de vondsten van laatstgenoemde plek behoort ook een kernbijl (Niekus e.a. 1997).
 
Afb. 2
Een vroegmesolithische afslagbijl uit Lageland (Gr.). Verkoolde hazelnootdoppen van deze vindplaats leverde een C14-datering op die vergelijkbaar is met die van de boot van Pesse (Niekus e.a. 1997).
tekening: M. Niekus & J.M. Smit (vakgroep Archeologie, RUG)
De nieuwe C14-dateringen maken duidelijk dat op het moment dat de kano van Pesse vervaardigd werd, de vuurstenen bijl al deel uitmaakte van de 'tool-kit' van de mesolithische jager-verzamelaars.

Zeewaardig?
Het is wel zeker dat de grove den die gebruikt is voor de kano van Pesse met een bijl is omgehakt. Dat dit een vuurstenen kern- of afslagbijl is geweest, ligt zeer voor de hand maar er kan natuurlijk ook gebruik zijn gemaakt van bijvoorbeeld een hertshoornen bijl. Bij het uithollen van de boomstam kan met hetzelfde gereedschap zijn gewerkt. Het gebruik van vuur is minder waarschijnlijk maar niet helemaal uit te sluiten. We moeten daarbij wel opmerken dat de plaats van de houtskool op de kano in ieder geval niet overal te verklaren is vanuit het productieproces. Voor het maken van een boomstamkano is het gewenst een verse boomstam te nemen. De schors van zo'n stam is relatief gemakkelijk te verwijderen, zelfs zonder een vuurstenen bijl. Waarom zit er dan houtskool aan de buitenkant van de boot?

Tot zover hebben wij geen twijfel geuit over het antwoord op de vraag: gaat het bij deze uitgeholde boomstam wel om een kano? Niet iedereen is daar namelijk van overtuigd. Bij zijn bezoek aan het Drents Museum in 1991 uitte de Deense specialist op het gebied van prehistorische kano's, Dr. S.H. Andersen van het Archeologisch Instituut van de Universiteit van Aarhus, zijn twijfels over de kwaliteiten van de uitgeholde boomstam van Pesse als boot (3). De op dwarsdoorsnede rond verlopende bodem lijkt inderdaad problematisch, maar daar kan tegenin gebracht worden dat ook de oudere Deense kano's een dergelijke bodemvorm hebben. De zwaar uitgevoerde boeg kan te maken hebben met de relatief geringe lengte - iets minder dan drie meter - van de kano. Mogelijk diende de boeg als contragewicht voor de gebruiker van de boot. Deze vragen kunnen slechts opgelost worden door het namaken en uitproberen van de vermeende kano. Ook Andersen is van mening dat experimenteren essentieel is voor het beantwoorden van de vraag of de uitgeholde boomstam van Pesse wel 'zeewaardig' is. In het kader van de expositie over experimentele archeologie die voor 1999 in het Drents Museum gepland is, bestaan dan ook plannen om minstens twee kopieën te maken en er mee te varen. Hopelijk valt de test positief uit, want anders raakt het Drents Museum wel zijn 'oudste boot ter wereld' kwijt. Daar staat natuurlijk wel een nieuw en interessant probleem tegenover: als het geen kano is, wat is het dan wél? Wordt vervolgd.

Noten
1. Deze uitkomst is het gewogen gemiddelde van twee dateringen van hetzelfde stuk hout van de kano, namelijk 8270 ± 275 BP (GrN-486) en 8825 ± 100 BP (GrN-6257). Voor deze informatie zijn wij drs. J.N. Lanting, Vakgroep Archeologie, Rijksuniversiteit Groningen, zeer erkentelijk.
2. Mondelinge mededeling H. Paulsen, Archäologisches Landesmuseum, Schleswig.
3. In zijn brief van 27-8-'92 herhaalt hij dat nog eens: 'Dear Jaap Beuker! Thank you for the letter of august 20th concerning the Pesse 'boat' (which I still think isn't a canoe)'.

Literatuur
Andersen, S.H., 1986: Mesolithic dug-outs and paddles from Tybrind Vig, Denmark, Acta Archaeologica 57, 87-106.
Christensen, C., 1990: Stone Age dug-out boats in Denmark: occurrence, age, form and reconstruction, in: D.E. Robinson (ed.), Experimentation and reconstruction in environmental archaeology, Oxford, 119-141.
Harsema, O.H., 1978: Mesolithische vuurstenen bijlen in Drenthe, Nieuwe Drentse Volksalmanak 95, 161-186.
Newell, R.R., 1970: Een afslagbijl uit Anderen, gem. Anloo en zijn relatie tot het Atlantisch Mesolithicum, Nieuwe Drentse Volksalmanak 88, 177-184.
Niekus, M.J.L.Th., J.P. de Roever en J.L. Smit 1997: Een vroeg-mesolithische nederzetting met tranchetbijlen bij Lageland (Gr.), Paleo-Aktueel 8, 28-32.
Zeist, W. van, 1957: De Mesolithische boot van Pesse, Nieuwe Drentse Volksalmanak 75, 4-11.
 

 

 



r t i k e l